NEDERGEDAALD TER HELLE (I)

In een aantal artikelen in Fragmint wil ik aandacht schenken aan een onderwerp waar vroeger meer over gesproken werd dan tegenwoordig: de hel. Ik heb daar vorig jaar iets over verteld in de goede-morgen kring en ik hoorde al wat langer geleden prof. Roukema uit Kampen op een studiedag over bijbel en belijdenis over dit onderwerp. Vandaar.

Toen ik, nu al weer jaren geleden, ergens een keer een leerdienst gehouden had met als thema “Gaan er tegenwoordig nog mensen naar de hel?”, sprak een dame mij aan en zei hoofdschuddend: “Als u zó preekt, gaan er zeker nog mensen naar de hel!” Ik had namelijk die vraag voorzichtig ontkennend beantwoord. Van iemand die dezelfde mening was toegedaan als die mevrouw las ik onlangs een ingezonden brief in de krant. Hij vond dat de kerk ernstig in gebreke bleef in het bijbrengen van normen en waarden aan de mensen. Als ik de briefschrijver goed heb begrepen bedoelde hij vooral dat de kerk meer zou moeten dreigen met hel en verdoemenis, zodat de mensen wel zouden nadenken voordat ze misdaden zouden plegen, baldadig en losbandig zouden handelen en zelfzucht tot levensnorm zouden verheffen. Wij leven in een maatschappij waarin we ons dagelijks verbazen over het wangedrag van mensen. Wanneer ik op zondagmorgen naar de kerk fiets wordt ik keer op keer geconfronteerd met de bereikte resultaten van de stappers in de zaterdagnacht. Een aantal keren per jaar worden bushokjes vernield, soms zie ik omgebogen verkeersborden, in elkaar getrapte fietsen, stukgesmeten bierflesjes, enz. Nu is dat enkel nog maar wat naar buiten komt, maar we hebben allemaal ook weet van witte - boordencriminaliteit en van politici die strafbare feiten plegen. Zou de kerk meer moeten dreigen met wat er aan het eind van dit leven die boosdoeners staat te wachten? Zouden donderpreken helpen om de mensen in het gareel te houden?

Stel dat het zo was, waar zouden we dan mee kunnen dreigen? Met de hel?

 

Ik zou bijna zeggen: “Geen mens is daar nog bang mee te krijgen”. In de decennia die we achter de rug hebben, is er nogal een verschuiving opgetreden in wat mensen geloven. Dat is heel hard gegaan. Ik ben opgevoed met de overtuiging dat er aan het einde van dit leven een beslissend moment zou komen. Hetzij, onmiddellijk na de dood, hetzij na een lange tijd van onwetendheid en wachten. De predikanten en catechiseermeesters waren daar niet eensluidend in. Maar hoe dan ook, er zou een moment komen dat ik voor de rechterstoel zou moeten verschijnen en er zou vonnis geveld worden. Het kon dan vriezen en het kon dooien. Niet voor niets werd er in het oude doopformulier gebeden dat het kind dat gedoopt werd ‘dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil getroost verlate en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uw Zoon, zonder verschrikken moge verschijnen’. Want er waren twee mogelijkheden: óf je werd behouden en je kon ingaan in de eeuwige vreugde van de hemel, óf je werd verworpen en dan kwam je in de hel. Volgens Mattheüs 25: 41: in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. De laatste tijd kom ik ook bij mensen, die niet lang meer te leven hebben, de angst voor dat oordeel en voor de gevolgen ervan niet veel meer tegen. Voor de meeste mensen hoort die dreiging tot het verleden. “Gelukkig maar”, ben ik geneigd te zeggen, al maken sommige kerkgangers en schrijvers van ingezonden brieven zich daar bezorgd om.

Ds. Cor Waringa