NEDERGEDAALD TER HELLE (III)

De vorige keer zijn we tot de ontdekking gekomen dat het woordje ‘hel’ in de nieuwe bijbelvertaling en in nieuwe psalmberijmingen veel minder vaak voorkomt dan vroeger. Dat maakt ons nieuwsgierig naar de oorspronkelijke tekst van de bijbel. In het Oude Testament, in de Statenvertaling, komt het woord ‘hel’ 32 keer voor. Steeds wordt er in het Hebreeuws hetzelfde woord ‘sjeool’ gebruikt. Maar op een aantal plaatsen wordt ditzelfde woord niet met ‘hel’ maar met ‘graf’ vertaald. Het is de plek waar de doden zijn en waar alle levenden uiteindelijk terecht zullen komen. Vaak gaat dit woord vergezeld van de term ‘neerdalen’. Wanneer Jacob het bericht krijgt van de dood van zijn zoon Jozef, die volgens zijn broers door een wild dier is verscheurd, is hij ontroostbaar en zegt hij: “Rouw dragend zal ik tot mijn zoon in de sjeool neerdalen.”. Begrijpelijk hebben de vertalers hier niet het woord ‘hel’ willen gebruiken, want daar zal Jozef toch niet verblijven en nog minder zal een van de aartsvaders daarheen afdalen. Dus hebben de vertalers indertijd gekozen voor het woord ‘graf’ (Genesis 37: 35). Maar wanneer onder het volk dat door Mozes door de woestijn geleid wordt een opstand uitbreekt en de aanvoerders van die rebellie, Korach, Datan en Abiram met hun familieleden door de aarde verzwolgen worden, wordt datzelfde woord ‘sjeool’ vertaald met ‘hel’: “En zij voeren neder, zij en alles wat hunner was, levend ter helle en de aarde overdekte hen” (Numeri 16: 33). Op vrijwel alle plaatsen waar het woord ‘sjeool’ vroeger met ‘hel’ werd vertaald hebben we te maken met poëtische teksten, waarin sprake is van een plaats waar je beslist beter niet kunt zijn of waar je voor straf terechtkomt.

 

De latere vertalers hebben ingezien dat het niet goed is om het woord ‘sjeool’ de ene keer met ‘graf’ en de andere keer met ‘hel’ te vertalen. Daarom hebben ze er in 1951 voor gekozen om ‘sjeool’ consequent te vertalen met ‘dodenrijk’. Dat had niet alleen een taalkundige, maar ook een inhoudelijke oorzaak. In heel het Oude Testament komt het idee van een goddelijke (of duivelse) martelplek namelijk niet voor. Er is geen geloof in een leven na dit leven waarin onderscheid gemaakt wordt tussen goeden en slechten, tussen rechtvaardigen en goddelozen. Alle stervelingen gaan, wanneer hun tijd gekomen is naar het dodenrijk. Het lichaam keert weer tot stof, maar er is iets, een schim van de overledene, dat de poorten van het dodenrijk doorgaat naar een plek die in het antieke wereldbeeld diep onder de wereldoceaan gelegen was. Een plek van waar geen terugkeer mogelijk was. Koning Hizkia, die genezen is van een dodelijke ziekte, dankt God. In zijn lied zegt hij: “Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in het graf zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw. De levende, de levende, hij looft U, zoals ik heden doe” (Jesaja 38 : 18,19). Het beste wat men elkaar kan toewensen is een lang leven, waarin je de kinderen mag zien opgroeien; een leven dat in vrede geleefd wordt, genietend onder je wijnstok of onder je vijgeboom. En daarna, wanneer je oud bent en der dagen zat, wanneer God vindt dat het je tijd is dan wordt je tot je vaderen vergaderd in de sjeool, in het dodenrijk.

In het Oude Testament verwachtte niemand ooit in de hemel te komen en was niemand nog bang voor de hel. Wel voor de (vroegtijdige) dood.

Ds. Cor Waringa