NEDERGEDAALD TER HELLE (V)

 

Deze keer gaat het over de spaarzame keren dat het woord ‘hel’ in de bijbel nog wel voorkomt. Eerst moet ik uit het stukje van de vorige keer iets rechtzetten. Niet in de Jacobusbrief, maar in 2 Petrus (2: 4) wordt het Griekse tartaros gebruikt, dat in de NBG-bijbel wordt vertaald met ‘afgrond’. De tweede Petrusbrief is een van laatst geschreven bijbelboeken en is zeker niet van Petrus zelf afkomstig. Men schat dat de brief dateert van omstreeks 140 na Chr. De betreffende tekst, die nogal mythologisch aandoet, handelt over engelen die gezondigd hebben en in de afgrond zijn geworpen. Welke afgrond? Wel, volgens Homerus was dit een plaats, nog dieper dan het dodenrijk. Later werd de plek echter ook wel met die onderwereld zelf (Hades) gelijkgesteld. Het woord tartaros levert dus weinig nieuws op.

Anders is het met het andere woord voor ‘hel’: ‘gehenna’, dat Hebreeuwse wortels heeft. Dit is het woord dat Jezus gebruikt wanneer Hij mensen aanraadt zich teweer te stellen tegen de zonde. Het is beter met één oog, of één hand verder te leven, dan dat heel je lichaam in de hel geworpen wordt (Markus 11: 44, 48). Op een andere plaats zegt Hij dat je als evangelieverkondiger niet bang moet zijn voor hen die alleen het lichaam kunnen doden. Beter is het Hem (God) te eerbiedigen die niet alleen het lichaam, maar ook de ziel kan verderven in de hel. Tenslotte is er de uitspraak van Jezus dat de schijnheilige Schriftgeleerden en Farizeeën moeilijk zullen kunnen ontkomen aan het oordeel der hel. De apostel Jacobus heeft het over de tong als bron van veel ellende onder de mensen, ze wordt daartoe aangezet door de hel.

 

Wat is ‘gehenna’ voor een woord? Het is een verbastering van de Hebreeuwse ‘Dal Ben Hinnom’. Een plek ten zuiden van Jeruzalem die een zeer slechte reputatie kreeg doordat sommige oudtestamentische koningen (Achaz en Manasse) daar hun kinderen offerden voor de Moloch, een heidense godheid uit die tijd. Jeremia ( 7 : 32) zegt er het volgende van: ‘De tijd zal komen dat men niet meer zal zeggen dal Ben Hinnom, maar Moorddal. Op deze plek zullen de lijken van het volk tot voedsel voor vogels en landdieren strekken’. Deze zogenaamde heilige plaats zal verworden tot een mestvaalt, tot een vuilnisstort, waar vuur en verrotting onophoudelijk hun verterend werk doen.

In de latere apocalyptische geschriften die rond het jaar 200 v Chr. begonnen te verschijnen, wordt gezegd dat God in het laatst der dagen zijn oordeel zal vellen over de goddelozen. De plaats waar zij hun straf zullen moeten ondergaan wordt dan gelijkgesteld met dat dal Ben Hinnom, ooit een afgodisch heiligdom van koningen, maar later de vuilnisbelt van Jeruzalem, waar de worm niet sterft en het vuur niet dooft. Een ware hel. Stel je voor dat daar je leven zou eindigen!

Maar hoe zit dat eigenlijk met die straf na dit leven? Daarover gaat het de volgende keer.

 

Ds. Cor Waringa