NEDERGEDAALD TER HELLE (VI)

 

Zoals wij in ons eigen leven meemaken dat visies en ideeën vaak bij een bepaalde tijd horen en dus aan verandering onderhevig zijn, zo komt dat ook in de bijbel voor.

We moeten daarbij bedenken dat de bijbel tot stand gekomen is in een proces dat eeuwen heeft geduurd. We willen nu nagaan hoe ook het denken over het hiernamaals in de loop der tijd veranderd is.

Eerder heb ik erop gewezen dat in het Oude Testament de heersende opvatting was dat wij mensen na dit leven naar het dodenrijk gaan. Een schimmige ‘onderwereld’, vanwaar geen terugkeer meer mogelijk is. De schrijver van het boek Job laat zijn hoofdpersoon zeggen: “Zo stijgt wie in het dodenrijk neerdaalt, niet weer op.” Dat is gewoon een gegeven. Elders zegt Job van de goddelozen: ”Zij brengen hun dagen door in voorspoed en  in vrede dalen zij in het dodenrijk neer.” Ze hebben immers het goede genoten en eenmaal komt immers je tijd.

Tegelijk is dat nu juist onbevredigend, dat schurken het hier goed hebben en rechtvaardigen vaak moeten lijden. De dichter van psalm 49 (Een lied van de Korachieten uit de tijd na de ballingschap) heeft het daar ook moeilijk mee. Hij ziet enkel een mogelijkheid tot rechtzetting van dit kwaad aan gene zijde van de dood: “God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij aannemen.”

God is sterker dan de dood.  Door de invloeden die het volk ondergaan heeft in de tijd van de Babylonische ballingschap, is er nogal wat veranderd in de visie op het dodenrijk.

a) Het geloof in een opstanding der doden doet zijn intree. Reeds in Jesaja 26 vinden we de tekst:”Herleven zullen uw doden, ook mijn lijk, opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij die woont in het stof!” Hiermee werd het verblijf in de ‘sjeool’ dus tijdelijk.

b) Onder Perzische en Griekse invloed kwam het geloof op, dat rechtvaardigen en goddelozen na hun sterven een heel verschillend lot te wachten stond. Zo ontstond het idee van een dodenrijk, met daarin een ruimtelijke scheiding tussen de goeden en de slechten. In de gelijkenis van Jezus over de rijke man en de arme Lazarus is sprake van een diepe kloof die hen van elkaar scheidt.

c) De joden uit de verstrooiing brachten het Griekse idee van de onsterfelijkheid der ziel mee naar Jeruzalem. De zielen van de rechtvaardigen zouden na het sterven regelrecht naar hemelse sferen gaan om daar te wachten op de dag der opstanding. Bijgevolg werd het dodenrijk de plek voor de verdoemden en kreeg het een veel akeliger lading dan die van de vroegere sjeool. Het was nog maar een kleine stap om er een goddelijke strafkolonie van te maken die vrijwel samenviel met het Dal van Hinnom waar de profeten van hadden gesproken. Zo werd de hel geboren.

 Jezus leefde in deze overgangstijd, waarin voorstellingen van het hiernamaals elkaar opvolgden. Getuige de hierboven aangehaalde gelijkenis stelt Hij zich nog een verblijf voor van alle overledenen in één dodenrijk, maar wel verdeeld in twee heel verschillende sferen: Abrahams schoot of een pijnigende vlam. De volgende keer, maar dat wordt na de zomervakantie, gaat het over Jezus’ nederdaling ter helle. 

Ds. Cor Waringa