NEDERGEDAALD TER HELLE (VIII)

Het geloof in Jezus’ triomftocht door de hel werd door vroegchristelijke schrijvers gestaafd met teksten die op zijn minst een dubieuze bewijskracht hebben. In het boek Job staat bijvoorbeeld: ‘Hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?’ (Job 38: 17) en ‘Zult Gij de draak aan een vishaak optrekken?’ (Job 40: 20).

Dergelijke teksten werden toegepast op de weg die Christus aflegde toen Hij drie dagen in het graf was. In onze tijd zien we ze echter meer als uitspraken die Gods grootheid aangeven tegenover een nietig mensenkind en we zijn van mening dat ze absoluut niets zeggen over Christus’ nederdaling ter helle. Niemand minder dan de kerkhervormer Calvijn noemt die voorstelling van een echt neerdalen van Jezus in de onderwereld een fabel. Toch verwerpt hij niet het geloofsstuk van het afdalen in de hel, maar hij geeft er een andere duiding aan. Het zou slaan op het lijden en de strijd van Jezus voorafgaande aan zijn dood. Op die manier wordt er ook in de Heidelbergse Catechismus over gesproken (Zondag 16, vraag 44). Hij is door een hel gegaan en daarom hoeven wij in onze hevigste aanvechtingen niet bang te zijn, we weten dat Hij ons daarvan verlost heeft.

In Calvijns tijd was niet de vraag naar het postume wel een wee van het voorgeslacht meer actueel, maar de vraag: Hoe kan ik als zondig mens voor God bestaan? Met andere woorden: Hoe word ik gered van hel en verdoemenis? Die vraag vroeg om een gelovig antwoord en, net als in de vroege kerk, werden teksten gezocht die het geloofsstuk van Christus’ plaatsvervangende nederdaling ter helle fundeerden. Nu ging Hij niet als een triomfator de onderwereld door, maar belandde Hij er voor zijn dood als een lijdende knecht. Er staat bijvoorbeeld in Gal. 3 : 13 ‘Christus is voor ons een vloek geworden’  en in 1 Petr. 2 : 24 ‘ Hij heeft onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht (…) en door zijn striemen zijn wij genezen’. Dit gegeven, dat Christus in onze plaats de hel is doorgegaan, zou in de Reformatie nooit zo’n centraal punt geworden zijn, wanneer niet die dodelijke angst voor het eeuwige vuur zo sterk aanwezig was geweest. We zien dus opnieuw dat er eerst een vraag is, daarna een mogelijk gelovig antwoord en daarna een zoeken naar bijbelse fundering.

De vragen van vroeger zijn echter niet meer onze vragen. Tegenwoordig vragen veel mensen zich af: Is er wel een God? Of ze geloven van alles, maar ze kunnen er niet meer over zeggen dan dat er wel wat is.  Er zijn vragen te over. Andere vragen dan waar men vroeger mee zat en we zullen dus in de verkondiging van het evangelie ook andere antwoorden moeten geven.

De volgende keer volgt mijn laatste artikeltje. Een afronding.

 

Ds. Cor Waringa

Klik op vorige in uw browser om terug te keren naar kerkpleinjoure.nl