NEDERGEDAALD TER HELLE (VII)

 

In voorgaande artikelen heb ik uiteengezet hoe de hel in het denken van mensen is ontstaan. Aanvankelijk was slechts sprake van het dodenrijk, waar alle mensen na hun leven in terechtkwamen, maar in de tijd van het ontstaan van het Nieuwe Testament kreeg de hel de veel meer toegespitste betekenis. Deze onderwereld werd een oord van pijniging en straf voor de goddelozen, terwijl de zielen van de Gode welgevallige mensen regelrecht naar hemelse sferen gingen om daar te wachten op de dag der verheerlijking.

In de apostolische geloofsbelijdenis (tussen haakjes: niet in die van Nicea!), wordt van Jezus gezegd: gestorven, begraven, nedergedaald ter helle. Welke hel moeten we ons daarbij voorstellen? Is dit gewoon het dodenrijk waar de zielen der gestorvenen gevangen zaten of is dit de plaats der pijniging, waar in sommige visies ook nog de duivel en zijn trawanten de baas waren? In het Latijn staat descendit ad inferno, dat het beste vertaald kan worden met: ‘neergedaald in de onderwereld’, of ‘in het dodenrijk’. In de vroegchristelijke kerk waren er tal van geschriften in omloop waarin wordt verteld hoe Christus na zijn dood in de onderwereld is afgedaald en daar de duivel heeft verslagen en diens gevangenen in triomf heeft bevrijd om ze mee te nemen naar de hemelse gewesten. Allerlei psalmteksten  en andere oudtestamentische passages werden in dit verband geciteerd. Bijvoorbeeld ps 107: 16: ‘want bronzen poorten heeft Hij geforceerd, en ijzeren dwarsbalken verbroken’. In de eerste Petrusbrief, die overigens niet van de hand van de apostel is maar dateert uit de tijd rond het jaar 95, staat dat Christus ‘heeft gepredikt aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam waren geweest in de dagen van Noach’.

 

Dit was in die tijd een belangrijk onderwerp, want zij die tot het christendom bekeerd waren geloofden, dat Christus hen uit de macht van duivel en dood zou verlossen, maar hoe zou het komen met hen die Christus niet gekend hadden? Met hun (heidense) ouders en voorouders, met de gelovige Abraham en David? 

Zo ontstond het leerstuk van de nederdaling ter helle, ingegeven door het geloof dat God rechtvaardig was en het heil niet zou willen onthouden aan hen die vóór de komst van zijn Zoon als rechtvaardigen hadden geleefd. Christus is afgedaald om in het naargeestige dodenrijk het evangelie te verkondigen en om hen die geloofden mee te voeren naar Gods heerlijkheid. Uit deze sfeer en uit deze tijd stammen liederen die wij nog zingen, die althans in ons liedboek staan: ‘Gij breekt de poort der hel met macht en voert gevangenen uit de nacht in zege naar het zalig land en zetelt aan Gods rechterhand’ (Gez 227:3) en ‘Gij offerlam dat eeuwig leeft, de poort der hel verbroken heeft, gevangenen uit de diepe nacht in ’t eeuwig licht heeft thuisgebracht’ (Gez 346 : 5 ). De bijbel functioneerde bij deze geloofsverwoording als een soort steengroeve waarin allerlei bouwstenen werden opgegraven die dit geloofsbouwwerk van de nederdaling ter helle hun stevigheid gaven. Het zijn teksten die mooie vondsten opleverden, maar die wij tegenwoordig niet gauw meer op deze manier zouden hanteren. Bovendien strijden ze met het evangelie van Johannes, waarin Jezus voor zijn sterven zegt: ‘Het is volbracht’. Hoe had Hij dat kunnen zeggen wanneer er nog een fikse strijd in de hel zou volgen?  Die mening was Johannes Calvijn zo’n 450 jaar geleden ook al toegedaan. Daarover een volgende keer.

Ds. Cor Waringa