Engelen III

 

In de periode na de Babylonische ballingschap neemt de belangstelling voor engelen toe. De afstand tussen God en mens wordt dieper gevoeld en het is alsof woorden als: "God sprak", "Zo zegt de Heer", "Woord van de Heer", die we bij de profeten vaak tegenkomen, minder gepast zijn. De woorden van God worden niet direct gehoord, maar worden door zijn boodschappers overgebracht. In het boek DaniŽl krijgen sommige van die boodschappers namen: MichaŽl (Wie is als God?) en GabriŽl (de held van God). MichaŽl is de aanvoerder van het hemelse engelenleger. In Openbaring 12 verslaat hij de satan en zijn eigen engelenaanhang en verbant hen uit de hemelse gewesten. GabriŽl, die er uitzag als een man (DaniŽl 8: 16), is de boodschapper. Hij komt terug in Lucas 1 wanneer hij zowel aan Zacharias als aan Maria de geboorte van hun zoon aankondigt. In het apocriefe bijbelboek Tobit komt RafaŽl (genezer van God) voor, die zijn naam daar eer aan doet. Andere (niet bijbelse) geschriften uit de periode tussen de ballingschap en de tijd van Jezus, noemen nog UriŽl (mijn licht is God), FanuŽl (het gezicht van God) en SariŽl (vorst van God) en nog andere. Deze engelen hebben naam gemaakt. Zij zijn de belangrijkste. Ze worden aartsengelen genoemd.

In de apocalyptische boeken (bijvoorbeeld het boek Openbaring) wemelt het van engelen. Degene aan wie de openbaring ten deel valt wordt een kijkje in de hemel gegund. Soms maakt hij zelfs een reis door de hemelen. Daar ziet hij dingen die het menselijke voorstellingsvermogen ver te boven gaan. Gelukkig heeft hij dan meestal een soort van hemelse reisleider aan zijn zijde, een engel die uitleg geeft.

In het Nieuwe Testament is het ook op aarde een komen en gaan van engelen. Blijkbaar wordt hun aanwezigheid als heel normaal ervaren. Ze verschijnen Jozef in een droom, massaal zingen ze in Betlehems velden, ze helpen Jezus na de verzoeking in de woestijn en in Getsemane en ze verschijnen aan de vrouwen bij het lege graf.

 

Ds. Cor Waringa