ENGELEN VI
Al bij de oude Grieken was er het geloof dat elke mens
bij zijn geboorte een wezen uit hogere sferen toebedeeld krijgt. Dat kon bij de
Grieken overigens goed of verkeerd uitpakken, afhankelijk van wat voor een
geest (daimon) het lot voor je beschikte: een goede
of een kwade. Vorige keer hebben we al gezien hoe in de bijbelse tijd het
geloof opkwam dat engelen individuele mensen bijstaan.
Mede naar aanleiding van Psalm 91 ontwikkelde zich het
idee van beschermengelen, ook wel engelbewaarders genoemd. In die psalm staat
immers: "Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je
ook gaat. Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een
steen."
Een plastische beschrijving van het optreden van zo’n beschermengel vinden we in Handelingen 12, waar Petrus
door een engel uit de gevangenis wordt gehaald. Wachtposten en ijzeren
toegangspoorten vormen geen belemmering. De gedachte dat vooral kinderen door
engelen beschermd worden vindt zijn oorsprong in Matteüs
18: 10, waar Jezus zegt: "Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want ik zeg jullie: hun engelen in
de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn
hemelse Vader." Talloos zijn de voorbeelden van afbeeldingen waarop
engelen kinderen die zich in gevaarlijke situaties bevinden beschermen.
Een engelbewaarder op een ansichtkaart (1905)
In het Dienstboek staat een avondgebedje voor kinderen:
’s Avonds
als ik slapen ga
volgen mij veertien engeltjes na:
twee aan
mijn hoofdeind,
twee aan
mijn voeteneind,
twee aan
mijn rechterzij,
twee aan
mijn linkerzij,
twee die mij
dekken,
twee die mij
wekken,
en twee die mij wijzen
naar ’s hemels paradijzen.
Die laatste notie brengt ons bij de engelen die een rol
spelen bij het levenseinde van mensen. Van veel martelaren in de
vroegchristelijke kerk wordt verteld dat ze in hun lijden werden bijgestaan
door engelen. Wanneer ze stierven begeleidden engelen hen naar de hemel. Deze
opvatting werd ondersteund door de woorden van Jezus over de arme Lazarus:
"Hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te
rusten". In de katholieke uitvaartliturgie komt het In paradisum
voor: In paradisum deducant
te angeli (mogen de engelen u geleiden naar het
paradijs), waarvan trouwens ook een aantal variaties voorkomen in de
protestantse bundel Zingend Geloven VI. Bachs Johannes Passie eindigt met
het slotkoor: Ach Herr, laß
dein lieb Engelein, Am letzen End die Seele mein, In Abrahams Schoß tragen.
Ds. Cor Waringa