ENGELEN SLOT
We hebben een hele rondreis gemaakt door de wereld van de
engelen. Tegelijk was het een reis door de tijd. Want de engelen zijn niet
steeds dezelfde gebleven. Ze zijn oud. Ze stammen uit een wereldbeeld waarin
gedacht werd dat alles wat er gebeurde ontsproot aan een menselijke of (als het
voor mensen te hoog gegrepen was) aan een goddelijke wil. Engelen moesten de
opdrachten van God (of van de goden) uitvoeren. Het waren wezens om ontzag voor
te hebben. Denk maar aan de gevleugelde slangengeesten die Jesaja
serafs noemt en aan de cherubs die Ezechiël als mens,
leeuw, stier en adelaar door elkaar ziet, onder de troonwagen van de Heer. Hoe
is het mogelijk dat er een ontwikkeling heeft plaatsgevonden waarbij deze
huiveringwekkende wezens zijn verworden tot koddige, mollige engeltjes die je
hier en daar op schilderijen of op kerkorgels ziet afgebeeld?
Kindengeltjes aan de voeten van Maria
In de tijd van de Verlichting, toen de menselijke rede ook bij theologen
veel meer zeggenschap kreeg, maakten de engelen een moeilijke tijd door. Engelen
hoorden bij een wereldbeeld dat voorbij was. De Duitse theoloog Hase, die het niet in nuances zocht, noemde engelen
‘metafysische vleermuizen’. Anderen, die behoedzamer te werk gingen, vonden een
uitweg door engelen slechts in de wereld der poëzie een plaats te geven of door
hen te zien als symbool voor iets dat wel werkelijkheid was: de stem van het
geweten, de waarschuwingen van het hart, het woord van vrienden. De grootste
theoloog van de 20e eeuw, Karl Barth,
erkende ooit dat het bestaan van engelen in de bijbel hem in grote verlegenheid
bracht. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat engelen en demonen wel
bijbelse begrippen waren, maar dat ze niet tot de verkondiging van de bijbel
hoorden. Met andere woorden: je hoeft niet in engelen te
geloven om goed Christen te zijn.
Persoonlijk kan ik het beste uit de voeten met de opvattingen van de Duitse
theoloog Claus Westermann, die een onderscheid maakt
tussen ‘boden’ en ‘dienaren’ van God. Met die laatsten
bedoelt hij heel de hemelse hofhouding, de hemelse legermachten, de serafs en
de cherubs. Hierin ziet hij een menselijke en zelfs primitieve voorstelling van
het begrip ‘heerschappij’. In die gedachtewereld kan een hemelse vorst niet
zonder een hemels leger en een hemelse hofhouding. Wat de engelen als ‘boden’
betreft, daarvan zegt hij dat ze bestaan zonder een eigen geschiedenis, alleen
maar op het moment zelf. De engel begint te bestaan samen met zijn boodschap en
houdt op te bestaan wanneer die boodschap vervuld is. Er zijn dus geen engelen
die, bij wijze van spreken, zitten te wachten op een opdracht van hun Heer. Mensen
ervaren de aanwezigheid van God op een bijzondere manier en met het hen
aangereikte begrippenarsenaal zeggen ze: een engel. En
wie zal hen dat betwisten?
Ds. Cor Waringa