‘Times they are a changing’
Ds.
Peter Lindhout
1.
De boeken die ik las
Bij
mijn zoeken naar een geschikt onderwerp voor mijn studieverlof stuitte ik op
enkele artikelen in het dagblad Trouw van de hand van Theodore
Dalrymple. Wat hij over de westerse samenleving
schreef, sprak me zo aan dat ik zijn beide boeken aangeschaft heb: ‘Leven aan
de onderkant – Het systeem dat de onderklasse instandhoudt’
(2001) en ‘Beschaving, of wat ervan over is’ (2005). Dalrymple
is een Engelse psychiater die in alle werelddelen gewerkt heeft. De laatste
jaren van zijn werkzaam leven zocht hij het wat
dichter bij huis: hij werkte in een gevangenis en in een ziekenhuis, beide
gelegen in een achterstandswijk in een stad in Engeland. Dus bepaald geen
studeerkamergeleerde! Al eerder las ik ‘Tijd van onbehagen – Filosofische
essays over een cultuur op drift’ van Ad Verbrugge,
docent filosofie aan de Vrije Universiteit (onlangs was hij ‘zomergast’ bij de
VPRO). Om een eventuele eenzijdige conservatieve beïnvloeding tegen te gaan,
koos ik als tegenwicht ‘De terugkeer van de verloren Vader – Een theologisch
essay over vaderschap en macht in cultuur en christendom’ (1989) van F.O. van Gennep, bij leven
hoogleraar in de praktische theologie in Leiden. Misschien denkt u nu,
na dit vertoon van boekengeleerdheid: ik lees niet verder, mij te hoogdravend!
Ik hoop dat u toch verder leest. Dit verhaal gaat over onze wereld, over wat we
in de krant lezen, over wat ons onontkoombaar op de televisie wordt
voorgeschoteld, over de invloed daarvan op ons denken en leven. Ik weet zeker
dat u het een en ander zult herkennen.
Ik
geef dit verslag als motto de titel van een lied van Bob Dylan
mee uit de vroege zestiger jaren: ‘Times
they are a changing’. (Boudewijn de Groot zong het Dylan
na: ‘Er komen andere tijden’). Achteraf kun je de song van Dylan
een profetisch lied noemen:
tijdens en na de zestiger jaren zou er
veel veranderen…
Wanneer
Dalrymple schrijft over zijn praktijk als psychiater
in een Engelse achterstandswijk (maar hij betrekt er ook de ervaringen bij die
hij opdeed in andere werelddelen), dan signaleert hij samenvattend drie
tendensen, drie kwalen van onze huidige westerse cultuur:
1. het waardenrelativisme; de waarden en normen waardoor de
maatschappij vroeger kon functioneren, worden als achterhaald beschouwd; wat
goed en wat slechts is, maakt ieder tegenwoordig zelf uit;
2. wanneer we
over de schreef gaan, dan schuiven we de
verantwoordelijkheid voor ons falen graag af: het is de schuld van onze
opvoeding of van de maatschappij;
3. waar leven we voor? We
leven voor de bevrediging van onze behoeften, en snel graag!
De
levenshouding die Dalrymple ontmoet in de
achterstandswijk waar hij werkt, vertoont volgens hem een uitvergroting van wat
in heel de maatschappij aan de hand is. Hij wijst met een beschuldigende vinger
naar de intellectuele bovenklasse. In de zestiger jaren
van de twintigste eeuw waren het de intellectuelen die waarden en normen op de
helling zetten. De overgeleverde ideeën over goed en kwaad waren knellend en
achterhaald, vonden zij. De onderklasse leeft nu volgens deze ideeën, zoals die
in de zestiger jaren vorm hebben gekregen. Televisie
en internet doen nu de rest.
In
de het vervolg zal ik dieper op deze drie punten ingaan. Ik voeg er een
paragraaf over de plaats van de seksualiteit aan toe, en ook een hoofdstuk over
opvoeding.
2.
De
wortels van ons denken en doen liggen voor een groot
deel in de Verlichting. Deze denkrichting uit de 18 eeuw (bijv. Voltaire) legde nadruk op de autonomie van de mens.
Mens,
je bent mondig, denk zelf na! Wat de overheid of de kerk beweren, neem dat pas
aan, als je het er vanuit je eigen denken mee eens bent. Neem
niets klakkeloos aan. Het eigen denken van de mens kwam centraal te
staan. Vandaag staat niet allen het eigen denken, maar ook het eigen voelen
centraal. Ik ervaar het zo. Ik vind het zo. Wat jij slecht
noemt, dat vind ik goed. Dat is mijn opvatting en die bepaal ik zelf.
Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw klinkt ons dit niet meer vreemd in de
oren.
De
vraag is nu: waar ligt de grens van onze autonomie? Als ieder mens zijn eigen
grenzen stelt, dan komt onvermijdelijk het moment dat je over de grens van een
ander komt. Dat jouw vrijheid de vrijheid van de ander om zeep helpt. Jij neemt
de vrijheid om moordend te concurreren en de kleintjes uit de markt te drukken.
De sociale ellende die hiervan het gevolg is, is jouw zaak niet. De andere twee leuzen van de Franse
Revolutie, gelijkheid en broederschap, gaan op deze manier in rook op. Kan
alles maar? Is alles goed? Wat is waar?
Deze
zelfde vragen spelen een rol bij het nadenken over de multiculturele
samenleving. Zijn alle culturen gelijk? Heeft de Nederlandse overheid het recht
om in te grijpen in een cultuur waar uithuwelijking en eerwraak geoorloofd
zijn? Is de ene cultuur ‘beschaafder’ dan de andere? Sinds 11 september 2001 en
sinds de moorden op Pim Fortuyn
en Theo van Gogh mogen deze vragen weer gesteld
worden. Er mag weer gesproken worden over waarden en normen, over goed en
slecht, als het gaat om cultuuruitingen. Voor velen is de westerse beschaving
weer het verdedigen waard.
Waarden
en normen worden ons o.a. bijgebracht d.m.v. opvoeding en vorming. Over
opvoeding zal ik later een speciale paragraaf schrijven.
Wanneer
de mens zichzelf tot wet is geworden (autonomie betekent
letterlijk ‘zichzelf tot wet’), dan brengt van Gennep ‘de les van de
geschiedenis’ onder de aandacht. Hij schrijft: zonder de ervaring en de
wijsheid van mensen die ons voorgingen, kunnen we niet zelfstandig leven. We
staan op de schouders van onze voorouders. De kennis en de ervaring schrijdt voort. Maar wanneer we alle kennis en ervaring van
onze voorouders verwerpen, dan zijn we niet wijs, maar eigenwijs. Dit noemt hij
een les in bescheidenheid.
Wie
gelooft, heeft nog meer lesmateriaal. Voor hem of haar is er niet alleen wat
ons door onze voorouders is overgeleverd, de les van de geschiedenis. Voor hem
of haar is er ook de heilsgeschiedenis
als bron van kennis en waarheid. Een gelovige leeft vanuit ‘thora’: goddelijke
onderwijzing. Zonder thora en evangelie weten we niet wat goed en waar is. Van
Gennep verwijst telkens naar de Russische romanschrijver Dostojewski
(negentiende eeuw). Dostojewski waarschuwt: als we
gaan geloven dat God niet bestaat, is alles geoorloofd. Dan neemt de mens de
plaats van God in. De twintigste eeuw heeft laten zien tot welke gruwelen deze mens-god in staat
is.
3.
‘Victims’
We
leven in een cultuur die de vrijheid hoog in het vaandel heeft staan. We wensen
onze eigen keuzes te maken. Elke keuze heeft gevolgen, soms kwade. Het valt Dalrymple op, in zijn talloze gesprekken als psychiater met
daders van geweldsmisdrijven, dat zij de verantwoordelijkheid voor hun daden
meestal weten te ontwijken. Enkele uitspraken van
moordenaars: “Iets heeft het me laten doen”; “M’n kop
sloeg gewoon op hol”; “Het mes ging erin”. Eén zei zelfs: “Als ik die
man niet vermoord had, dan had ik niet voor mezelf ingestaan!” Van de honderden
daders van geweldsmisdrijven die Dalrymple sprak, was
er slechts een enkeling die zichzelf schuldig noemde. Hij constateert dezelfde
houding bij sommige slachtoffers van huiselijk geweld. Hij sprak met vrouwen
die telkens opnieuw een gewelddadige man kiezen. Waarom ga je niet weg? “Hij is
zo goed in bed.” “Hij slaat me, omdat hij jaloers is. Zie je wel dat hij van me
houdt”. Waarom ga je telkens met zo’n man in zee? “U
denkt toch niet dat ik alleen blijf?” Als Dalrymple
dan vraagt: “Als je weer een man kiest, zal ik hem dan beoordelen?”, dan begrijpen ze de hint. Maar of ze er wat mee doen…
We
hebben de vrijheid om te kiezen. De verantwoordelijkheid dragen voor de
gevolgen van een foute keuze, is hoofdstuk twee. Ervan leren, is weer een
volgende stap.
Dalrymple legt een verband met het waardenrelativisme (zie het vorige artikel). Hij verwijt de
intellectuele bovenlaag dat zij de standaard van goed en kwaad, van beschaafd
en minder beschaafd, van beschaving en barbarij verlaten heeft. Criminaliteit
zou oorzaken hebben die van buiten de mens komen. Zij zou veroorzaakt worden
door armoede en discriminatie. We zijn een product van de omstandigheden. “Het
is allemaal de schuld van de maatschappij”. We zijn geen dader, maar
slachtoffer. In de slachtofferrol kunnen we altijd beschuldigend naar de ander
wijzen. Ook de verzorgingsmaatschappij droeg bij tot een verminderd besef van
eigen verantwoordelijkheid. Als ik verkeerde keuzes maak en daardoor een
medemens of de samenleving schaadt, dan is er altijd iemand die het wel voor me
opknapt, vadertje staat. En wat mijn financiële puinhoop betreft kan ik altijd
terugvallen op de overheid.
Als
ons gedrag voortkomt uit omstandigheden buiten onze wil, dan zijn we niet
schuldig. Dan is ook straf niet op zijn plaats. Opvallend is echter dat binnen
de gevangenis de oude moraal wel is blijven bestaan. Gedetineerden onderling
hebben er geen enkele moeite mee om elkaar straffen op te leggen.
Opnieuw
zien we dat het programma van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en
broederschap, verengd is tot een eenzijdige nadruk op de vrijheid. We hebben
rechten, geen plichten. We leven in een excuuscultuur. Bijbelse begrippen als
schuld, bekering en het doen van gerechtigheid blijven buiten beeld.
Behoeftebevrediging
We
blijven nog even bij Dalrymple. Hij schrijft: In de
moderne verzorgingsstaat is de strijd om het bestaan afgeschaft. Vadertje staat
zorgt voor de eerste levensbehoeften. We hoeven ons niet meer in te spannen om
aan schoon drinkwater en brood te komen. Bij zijn werk in Afrika maakte Dalrymple dat wel anders mee. Toch zag hij daar meer geluk
dan in West-Europa. In ons werelddeel is de strijd om
het bestaan geen drive meer. We kunnen een gedeelte van onze tijd anders
invullen. Om aan de verveling te ontkomen, verlangen we naar amusement en naar
persoonlijke relaties. En van deze relaties geldt, zegt Dalrymple,
dat ze veelal instrumenteel zijn. D.w.z. ik gebruiken de ander als instrument
ten behoeve van mijn geluk.
In de relatie staat mijn geluk
centraal. De ander is er voor mij. Het evenwicht tussen mijn geluk en het geluk
van de ander is zoek.
Dalrymple spreekt over de lichtzinnigheid
van het kwaad. Daarmee bedoelt hij dat de zucht naar genot zo’n
grote plaats inneemt, dat de negatieve gevolgen voor lief genomen worden. Om de
verveling of de eenzaamheid te ontvluchten geef je de voorrang aan kortstondig
(seksueel en/of verslavend) genot, terwijl je weet dat dit op langere termijn
leidt tot ellende van jezelf en van anderen voor wie je te zorgen hebt. In
Amerika verscheen een boek met de veelzeggende titel: ‘Amusing
ourselves to death’ (‘we amuseren ons te pletter’).
Verbrugge noemt in dit verband wat
televisie en internet ons bieden: gewelddadige films,
Gangsta-rap, pornografie en sadomasochisme.
Wie verbiedt mij het recht op dergelijke
prikkelingen? Ik ben een vrij mens en
bepaal zelf wat ik doe.
Een
van de oorzaken hiervan is de moderne verzorgingsstaat, vindt Dalrymple, vooral in zijn neoliberale vorm. Het samengaan
van socialisme en liberalisme noemt hij een onzalig verbond. Socialisme: nadruk
op rechten, minder op plichten. Liberalisme: accent op keuzevrijheid van de
consument. De consumerende burger krijgt alle aandacht . Als de overheid voor ons zorgt, dan
hoeft bij ons zorgplicht en verantwoordelijkheidsbesef minder een rol te
spelen. Als de staat vader en moeder is, dan moet die maar (voor een deel) de zorg voor mijn kinderen overnemen.
Er
zijn in de vorige eeuw twee romans verschenen, waarin gewaarschuwd wordt tegen deze
paternalistische tendens: een overheid die je verzorgt van de wieg tot in het
graf. In 1932 (!) verscheen van Aldous Huxley: ‘Heerlijke nieuwe wereld’. Het gaat over een
maatschappij waarin al je behoeften en al je verlangens bevredigd worden. Het
leven is verrukkelijk! Maar de mensen zijn geen mensen meer. Ze zijn weer kind
geworden, zonder zorgen, maar ook zonder keuzevrijheid, zonder
verantwoordelijkheid. Het andere is het bekende boek van George
Orwell: ‘1984’ (uit 1948). Opnieuw een goed geordende
samenleving, maar zonder vrijheid, zonder menselijkheid.
Van
Gennep zoekt naar de oorzaak van het feit dat in onze samenleving de behoefte
aan verstrooiing en vermaak zo sterk is. Hij onderscheidt in onze samenleving
twee werelden:
de systeemwereld en de leefwereld.
Met systeemwereld bedoelt hij de wereld van ons werk, onze baas, onze
collega’s, de concurrentie, de winst van de onderneming. De leefwereld is dan
de wereld van thuis, gezin, sport, hobby’s en geloof..
Die twee werelden zijn van elkaar gescheiden. In deze werelden geldt ook een
verschillende moraal. Iemand heeft in zijn persoonlijke moraal de naastenliefde
en het opkomen voor de zwakke hoog in het vaandel staan. Als hij daarmee echter
aankomt in het bedrijfsleven, dan kan het gebeuren dat zijn mening als
halfzacht en niet realistisch afgedaan wordt. De beide leefwerelden zijn door
die ene persoon niet in harmonie te brengen. Het gevolg is dat hij of zij in
twee werelden gaat leven. Aan de persoonlijke leefwereld worden dan, als
tegenwicht, steeds hogere eisen gesteld. Daar moeten rust en ontspanning
gevonden worden. De leefwereld moet voor geluk en genot zorgen. Het motto
wordt: ontvluchten van spanningen. Genieten! We hebben behoefte aan
verstrooiing en gemakkelijk vermaak. Niet te veel nadenken. ‘Vertrossing’. Want
op maandag moeten we de kille maatschappij weer in.
Volgens
Verbrugge leidt deze tendens tot cultuurverlies,
verlies van beschaving. Volgens Huizinga is een van
de aspecten van cultuur het gezamenlijk nastreven van een ideaal. Een ander
aspect van cultuur is, nog steeds volgens Huizinga,
de beheersing van de eigen menselijke natuur. In onze neoliberale maatschappij
streven we naar persoonlijk genot van een vrij individu in een vrije markt.
Vrijheid te over. Maar van een gezamenlijk streven is geen sprake. Nog minder
streven we naar een doel dat buiten ons ligt. Het gaat om mijn vrijheid, mijn
genot. Dat is mijn doel. Ieder voor zich. Beheersing van de eigen natuur?
Uitleven van de eigen natuur! Dit cultuurverlies leidt
volgens Verbrugge tot een asociale levenswijze en tot
zinloos geweld. Kom niet aan mijn vrijheid! Bemoei je niet met mijn doen en laten. Een klap voor je kop kun je
krijgen!
Verbrugge noemt het liberale idee van de
keuzevrijheid een ballon die heel eenvoudig doorgeprikt kan worden. De
behoeften die we graag bevredigd willen zien, zijn dat wel ònze
behoeften? Of worden ze gecreëerd door de markt en opgezweept door de reclame?
Kapitaal en investeringen, beursgang en beleggingen, hebben we daar invloed op?
Kapitaalstromen beheersen het industriële klimaat. De kwaliteit van de arbeid
en de werksfeer lijden eronder.
En
wat te denken van al die reorganisaties en bedrijfssluitingen? Waar blijft voor
de werknemer de veelgeprezen vrijheid?
5.
In
aansluiting op de paragraaf over behoeftebevrediging schrijf ik nu over de
beleving van de seksualiteit. Sinds de uitvinding van de pil en de seksuele
revolutie van de zestiger jaren is er veel veranderd.
Voor die tijd was een strenge, victoriaanse
moraal de norm. Tussen twee haakjes: dat wil niet zeggen dat die norm ook
nageleefd werd! Maar de norm was duidelijk: geen geslachtsgemeenschap buiten of
voor het huwelijk. En alleen man-vrouwverhoudingen.
Andersoortige relaties waren tegennatuurlijk. Wat buiten de norm om gebeurde,
moest maar niet openbaar worden!
Onder
invloed van Freud en anderen kwamen huwelijk en gezin
in een kwaad daglicht te staan. Deze instituten ontnamen je je
persoonlijke vrijheid. Om levenslang vast te zitten aan
één partner die je niet gelukkig maakt en je
seksueel niet geeft wat je verlangt, zonder uitstapjes naar een man of een
vrouw die je dit wel geeft, is dat niet onderdrukkend en ziekmakend? Voor Freud was de inperking van de seksualiteit de grootste
boosdoener. Ook voor kinderen was onderdrukking van seksuele gevoelens
uitermate schadelijk.
De nieuwe moraal.
Laat
ik voorop stellen dat de seksuele revolutie veel goeds gebracht heeft. Er kan
openlijk over seksualiteit gesproken worden, ook in de opvoeding. De pil en het
feminisme brachten voor vrouwen meer vrijheid en grotere kansen om hun gaven te
ontplooien. Homoseksualiteit is uit de taboesfeer gehaald en wordt – althans
door de meeste mensen in het Westen – als een volwaardige vorm van
liefdebeleving beschouwd.
De
propagandisten van de seksuele revolutie wilden echter verder. Men deed een
poging om seksualiteit los te maken van een persoonlijke relatie, los van
liefde en trouw. Want dat riekt weer naar
verplichtingen. In een individualistische samenleving is seks los verkrijgbaar.
Wat vroeger geslachtsgemeenschap heette, dat noemen we nu
seks. Seks is een artikel geworden, eventueel alleen of virtueel beleefd. Onpersoonlijker kan het niet. We spreken over ‘seks
hebben’. “Heb je seks gehad?”. Als die vraag mij gesteld zou worden, zou ik ’t liefst antwoorden: “Nee, wel de mazelen!”
Hoe
zit het met de vrijheid op seksueel gebied? Wanneer de seksuele vrijheid op
deze wijze gepredikt en beleefd wordt, kunnen we die vrijheid dan ook aan?
Wanneer de seksuele beleving losgemaakt wordt van een persoonlijke
liefdesrelatie en van de zorgplicht voor elkaar, dan wordt de seksuele
verhouding beperkt tot het lustaspect. Nu kan onze lustbeleving, losgemaakt van
de persoonlijke liefdesrelatie, een kwalijke kant hebben. Wanneer de begeerte
eenmaal bevredigd is, dan geldt: het bezit van de zaak is het einde van het vermaak.
Vervolgens willen we meer, we willen spannender, opwindender seks. Wanneer de vrijheid niet gekoppeld is aan liefde, trouw,
zelfbeheersing, dan slaat ze los en leidt ze juist tot slavernij. We
worden seksverslaafd. En we maken anderen tot slaaf: een kind
wordt misbruikt; een vrouw belandt gedwongen in de prostitutie. Je wordt
een gebruiker of je wòrdt gebruikt. Dalrymple vat bovenstaande als volgt samen: vrijheid,
blijheid, dierlijkheid.
Enkele
uitspraken van ‘deskundigen’ op dit terrein.
Prof.
de Knijff schrijft:
“Geslachtsgemeenschap is een expressie van twee mensen die een gezamenlijke
geschiedenis en een gezamenlijke toekomst hebben”. Het is een lichamelijk-intieme omgang van twee mensen die elkaar niet
alleen lichamelijk, maar ook mentaal en geestelijk intiem nabij zijn.
Prof.
Houtepen: De kerk heeft zich uit te spreken tegen
elke vorm van seksuele omgang, die niet tegelijk de zorg voor de partner
inhoudt
6.
Opvoeding in de maalstroom van de
tijdgeest
De
onderstaande paragraaf ontleen ik hoofdzakelijk aan een artikel uit het dagblad
Trouw van 19 september 2005. Het behelst de Abel Herzberglezing
die in dat jaar gehouden werd door Rita Kohnstamm, psychologe en publiciste, getiteld: ‘Ouders in
de maalstroom van de tijdgeest’. Ze begint met de stelling dat de mensen van nu
een samenleving hebben geschapen die in grote lijnen bandeloos, rusteloos,
redeloos en vormloos is. Vervolgens licht ze deze stelling toe.
Met
deze, wat misleidende,
term bedoelt Kohnstamm dat onze
maatschappij gekenmerkt wordt door een gebrek aan bindingen. Vroeger hadden we
zuilen. Oké, zegt ze, die werden verantwoordelijk gehouden voor ‘individuele
benauwenis en publieke verstarring’. Maar: je hoorde ergens bij! Nu worden we
op ons individuele bestaan teruggeworpen. De netwerken die we vormen, zijn
gebaseerd op elkaar aardig vinden of elkaar kunnen gebruiken. Dan ben je snel
eenzaam! Voor een kind is een verband waarin je zondermeer opgenomen bent
essentieel! Ook als het er niet altijd vredig toegaat. Eén is er overgebleven:
het gezin.
Kinderen
worden ‘druk’ genoemd. Kinderen delen in de rusteloosheid en gejaagdheid van de
ouders. Kinderen staan, net als hun ouders, consumptief in het leven. Als de
ouders jagen naar verstrooiing en genot, dan kun je van de kinderen weinig
anders verwachten. En we hebben al eerder gezien dat, wanneer de bevrediging
van je behoeften de belangrijkste drijfveer in je leven vormt, dat je dan nooit
genoeg hebt. Je wilt van alles beleven, anders wordt het saai en slaat de
verveling toe. Dus moet er telkens weer wat nieuws verzonnen worden. Kohnstamm benadrukt dat het voor kinderen belangrijk is bindingen te
krijgen (zie boven). Die krijgen ze niet door een consumptieve levenswijze, maar
door ze te leren verplichtingen te hebben. Verplichtingen t.a.v. gezinsleden,
de school, de club, de maatschappij, het milieu. Een andere remedie tegen de
rusteloosheid: een kind hecht aan voorspelbaarheid. Dus: een vaste dagindeling,
gezinsrituelen, tradities.
Kohnstamm signaleert in onze maatschappij
een overwaardering van de emotie en een onderwaardering van het verstand, de
rede. Het evenwicht tussen die twee is weg. Verstand zonder emotie mag kil
zijn, emotie zonder verstand gaat ongeremd woekeren. Alles wordt op de noemer
van het gevoel gezet: ‘Als je maar lekker in je vel zit’, dan hoef je niet veel
te weten. Het is voor elk kind belangrijk om te leren gericht over dingen na te
denken. Dat hun dingen worden verteld en te lezen worden gegeven die ze moeten
weten. Ook die waar ze zelf de zin vooralsnog niet van inzien of die ze niet
leuk vinden. Aansluiten bij de leefwereld van de kinderen hoeft niet te
betekenen dat ze daarin blijven hangen!
Redelijkheid
heeft te maken met beheersing. Dat is een mooie typisch menselijke
mogelijkheid. Freud leerde al dat een vorm pas
ontstaat bij weerstand. Het karakter en het verstand worden gevormd doordat in
de kinderjaren primitieve en egocentrische behoeften en impulsen niet zondermeer
worden bevredigd of toegestaan.. Zij ondervinden
weerstand. Zo wordt een kind gevormd. Zo wordt een volwassene gevormd. In onze
tijd worden vormen van ongeremdheid normaal gevonden. Een beschaafd mens worden vergt beheersing en indamming. Zonder dat vallen we
terug in het primitieve.
Kohnstamm signaleert dat ouders van nu er
niet goed in zijn om hun kinderen zelfbeheersing bij te brengen. Ze wijt dit
o.a. aan allerlei vage opvoedingsideeën die rondwaren. Zoals:
het kind moet stoom afblazen. Maar het onbeheerste gedrag (‘stoom afblazen’) houdt het spanningsniveau bij het kind juist
hoog. Of: het ideaalbeeld: goeie ouders hebben blije
kinderen. Als ze dat niet zijn, schiet je als ouder te kort. En als dit de norm
is: prettig, leuk en gezellig, dan geef je als ouder maar gauw toe. Een verbod
verstoort immers de goede sfeer en het licht ontvlambare humeur van het kind.
Kinderen houden echter van ouders die hun het gevoel geven dat ze de moeite
waard zijn. Ook de moeite van een conflict. Dat geeft hun het gevoel dat ze hoe
dan ook met elkaar verbonden zijn.
7.
Ik
vat samen wat we tot nu toe gesignaleerd hebben.
1. Er is
sprake van een relativering van waarden. We maken zelf uit wat goed en slecht
is. Gecombineerd met onze zucht naar persoonlijk genot vormt dit een riskante
mix!
2. Gebrek aan
verantwoordelijkheidsbesef. Als we over de schreef
gaan, dan is dat de schuld van de maatschappij, opvoeding enz.
3. Waar leven
we voor? Voor de bevrediging van onze behoeften.
In
deze zucht naar genot heeft ons ego de leiding.
4. Dit wordt
o.a. zichtbaar op het terrein van de seksualiteit. Vrijheid is het motto.
Verplichtingen worden gemeden. In een individualistische samenleving is seks
los verkrijgbaar.
5. In deze
wereld kinderen opvoeden, vraagt dat ouders tegen de stroom in roeien.
Tegenover
het individualisme: het laten beleven van stabiele relaties.
Tegenover
de rusteloosheid: het aangaan van verplichtingen.
Tegenover
het eenzijdige accent op de emotie en de vraag of iets als ‘lekker’ beleefd wordt: het
bijbrengen van vormende kennis.
Tegenover
de bevrediging van egocentrische behoeften: het bijbrengen van zelfbeheersing.
De
volgende begrippen zijn nu en dan al tegengekomen: zelfbeheersing, vrijheid en
gemeenschapszin. Telkens werd de loftrompet gestoken over de vrijheid. Maar wat is
vrijheid? Zelfbeheersing en gemeenschapszin zijn waarden die tegen de stroom
van de tijd in roeien.
Het
begrip zelfbeheersing zijn we meerdere keren tegengekomen. De Franse Revolutie
predikte vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hoever gaat die vrijheid? Als
jouw vrijheid niet gepaard gaat met zelfbeheersing, dan komt er niets van de
gelijkheid en de broederschap
terecht. Wanneer wij onze vrijheid niet
afstemmen op de ander, dan gaat de vrijheid van de ander eraan. Telkens laait
de discussie op over de vrijheid van meningsuiting. Recent nog in verband met
de Deense cartoons. Mag je mensen beledigen of kwetsen? Ik vermoed dat er
altijd mensen zullen zijn die zich beledigd of gekwetst voelen door de mening
van een ander. Dat is onontkoombaar. Toch pleit ik ook op dit terrein voor
beheersing. Wanneer iets of iemand voor een ander heilig is, waarom zouden we daar
dan geen rekening mee houden?
Ook zonder moedwillig te kwetsen kunnen we zeggen wat we ervan
vinden.
In
verband met de beleving van de seksualiteit sprak iemand over ‘eerherstel aan
de terughoudendheid’. Een mooie omschrijving, die van toepassing is op meerdere
terreinen!
Vrijheid
is wat anders dan ongeremdheid of bandeloosheid. Vrijheid is een geschenk.
Een
geschenk om door te geven. We zouden kunnen spreken over vrijheid in
gebondenheid.
Gebondenheid
aan Gods Woord. Dat is gebondenheid aan de liefde, liefde tot God, liefde tot
de medemens, liefde voor jezelf. De liefde doet de naaste geen kwaad.
Een
ander begrip mag in dit slotartikel niet ontbreken: het begrip gemeenschapszin.
De filosoof Verbrugge houdt niet op hier de nadruk op
te leggen. In een maatschappij met een ver doorgevoerd individualisme zijn we
de zin voor gemeenschap kwijtgeraakt. Gemeenschap heeft ook alles met vrijheid
te maken. Verbrugge schrijft: iemand kan pas
werkelijk vrij zijn, wanneer hij of zij leeft in een gemeenschap. Over deze
gemeenschap moet wel meer gezegd worden. Verbrugge
spreekt over een zedelijke gemeenschap. Hiermee bedoelt hij dat in deze
gemeenschap waarden en normen worden nageleefd. De mens is een
gemeenschapswezen. En dat wil zeggen dat deze mens verantwoordelijkheid draagt!
In deze gemeenschap wordt de vrijheid van ieder erkend. Men weet zich
verantwoordelijk voor andermans vrijheid. Gemeenschapszin wordt aangeleerd in
het gezin. Want daar deelt men het leven met elkaar.