HET DIENSTBOEK, DEEL II (4E AFLEVERING)
Het 4e en 5e hoofdstuk van het dienstboek deel II gaat respectievelijk over de
bevestiging van ambtsdragers en over de inleiding in een bediening. Dat eerste
is voor ons niet nieuw. Het betreft orden van kerkdiensten waarin een predikant
bevestigd wordt in het ambt van dienaar van het Woord en over de bevestiging
van gemeenteleden in het ambt van ouderling of diaken. De bevestiging van een
predikant geldt voor heel het leven. Wanneer een predikant naar een andere gemeente
gaat, of zich wijdt aan een ander dienstwerk, spreken we van een verbintenis. Het
werk van de ouderling en de diaken geldt alleen voor de gemeente waarin hij of
zij wordt bevestigd.
In steeds meer gemeenten kennen we tegenwoordig pastorale
kerkelijk werkers; in gemeenten die te klein zijn voor een predikant, maar ook
in grotere waar een deel van het pastorale werk in samenwerking met predikanten
wordt verricht. Maar ook op andere terreinen van het werk in de kerk kan men
tot een bepaalde dienst geroepen worden. Te denken valt aan kerkmuziek,
missionair werk, het jeugd- en jongerenwerk, de vorming en toerusting, de
catechese, de gemeenteopbouw of het diaconale werk. Soms stelt een kerkelijke
vergadering iemand op deze terreinen in een bediening. Er vindt dan in een
kerkdienst een soort bevestiging plaats. De kerkelijk
werker belooft in deze bediening te getuigen van het heil in Christus Jezus en
te blijven in de weg van het belijden van de kerk en spreekt zijn of haar
bereidheid uit ijverig en trouw te zijn en zich te onderwerpen aan de regels
die de kerkorde stelt. Als proefje uit dit deel een voorbede voor een ‘nieuw bevestigde’:
een (mannelijke) cantor/organist.
Wij bidden U, Schepper van alle muziek,
voor …. , onze nieuwe cantor/organist
dat uw woord hem als muziek in de oren mag klinken,
dat hij zijn gaven mag gebruiken tot verheerlijking van uw naam
en ten dienste van ons, uw gemeente;
dat hij ons deelgenoot zal maken van uw hemelse muziek
die door onze mond zal klinken.
Geef hem dat hij ons zal voorgaan in de lofzang om uw
grote werken,
ja dat stem en instrument ons in goede en kwade dagen
doen zingen van uw nabijheid,
zodat op de vleugels van uw lied ons hart opspringt
om de vreugde die geen einde heeft.
Zo bidden wij U: (gezongen of
gesproken acclamatie)