HET DIENSTBOEK, DEEL II (9E AFLEVERING)

 

Het laatste hoofdstuk uit het Dienstboek, deel II, gaat over uitvaart en rouw. In de inleiding op dit hoofdstuk wordt het volgende gezegd: Bij een kerkelijke begrafenis vertrouwen wij onze doden toe aan de levende God. In de regel verlopen er vijf dagen tussen overlijden en uitvaart. Dagen die onwezenlijk lang kunnen lijken en waarin de mooiste herinneringen en verhalen tot leven worden gewekt. Vijf dagen waarin de rust weerkeert na een tijd van wachten op de dood of waarin de vragen en de onrust zich vermenigvuldigen. Dagen van intense vreugde om een leven dat geweest is of van ondraaglijk verdriet om het onverwachte einde van een mensenleven. In de tijd tussen overlijden en uitvaart, in wat daar misschien aan voorafging en wat erop volgt, wordt veel van mensen gevraagd. Zij worden aangesproken op de essentie van hun mens zijn en van hun geloof.

De nabestaanden die hun dode moeten begraven of laten cremeren vertrouwen bij een kerkelijke uitvaart de leiding van de begrafenis of crematie toe aan de kerk. De kerk treedt dan op als gastvrouw, de uitvaartonderneming is dienstverlenend aanwezig. Dit geldt niet alleen als de dienst in de kerk, maar ook als die in een aula plaatsvindt.

De laatste jaren is de overtuiging gegroeid dat naast woorden, handelingen een belangrijke plaats verdienen als de kerk haar leden bijstaat wanneer zij hun dode moeten begraven. Wij worden sprakeloos omdat wij nauwelijks woorden hebben voor wat ons overkomt wanneer de dood inbreekt in een mensenleven. Taal alleen is dan niet toereikend. Juist dan geven symbolen en rituelen stem aan wat hier en nu gezegd wil zijn.

Het komt mooi uit dat deze serie haar einde bereikt in de weken voor Pasen. Paulus zegt: Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God onze Heer: aan Hem behoren wij toe.

 

Als laatste voorbeeld uit het Dienstboek, deel II, een tekst voor een persoonlijke gedachtenis op een gedenkdag (na 7 of 30 dagen, of een jaar):

 

De doden

die in de aarde vergaan zijn

en die verstrooid zijn op de wind

voorgoed onvindbaar

de uit hun huis geroofden

de onvoltooiden

allen die weg zijn gegaan zonder groet

 

wat heeft niet met hen gedaan

Hij die nooit varen laat

het werk van zijn handen?

 

Leg hen als een zegel

aan uw hart

als een zegel op uw arm

 

want sterk als de dood

is de liefde.

Amen.